Aloha, maart 2000, interview door Jean-Paul Heck

Tröckener Kecks >tk [PIAS]

Lovende kritieken voor nieuwe cd >TK, een grootse promotiecampagne, bezoekjes aan Koffietijd en gillende Belgische dames voor het podium. Hoezo, de Tröckener Kecks zijn afgeschreven?

Brussel, Ancienne Belgique, maandag om half acht ’s avonds. Tröckener Kecks-bassist Theo Vogelaars wil net een stukje biefstuk naar binnen werken als iemand van de tv-crew hem verzoekt om naar het podium te komen. De man laat duidelijk zien dat hij met ‘nee’ geen genoegen neemt. Vogelaars trekt een ongelukkig gezicht en murmelt tussen de laatste slok wijn en een gebakken aardappel in: Dit is nu wat ik noem een luxe-probleem. Hij trekt zijn muts nog maar eens wat strakker over het magere koppie en rent de trappen van het fraai gerenoveerde AB op.

Het gaat goed met de Tröckener Kecks. De nieuwe plaat >TK krijgt goede recensies en de nieuwe werkgever Play It Again Sam (PIAS) van origine een Belgische platenmaatschappij loopt het vuur uit de sloffen om het vijftal te promoten: hoge rotatie op de radio, een retestrakke video op TMF, te gast bij Koffietijd, op schoot bij Dieuwertje Blok het kan allemaal niet op.
Vandaag is de Tröckener Kecks te gast bij TMF België, om daar een uur lange live-special op te nemen. De euforie van de laatste tijd is in de kleedkamers van de gloeiende gezichten af te lezen. Vogelaars denkt alweer volop na over de opdruk van de nieuwe Tröckener Kecks tour-shirts, gitarist Phil Tilli houdt een vlammend pleidooi voor de nieuwe plaat, terwijl toetsenman Rob van Zandvoort tussen de kieren van de Volkskrant door probeert de gesprekken te volgen.
Zo, nu kun je eindelijk weer eens een TV-camera van dichtbij zien, zegt iemand tegen Rick de Leeuw. De zanger zelf kan er niet om lachen. Iedereen denkt dat de Kecks de laatste jaren geen flikker hebben gedaan, moppert hij later. Dat is toch een aardig misverstandje, hoor.

Dat zal best. Maar feit is dat de Tröckener Kecks de laatste tijd alleen nog maar in het nieuws kwam als er dingen misgingen. Drie jaar geleden flopte de (toch zonder meer acceptabele) cd Dichterbij Dan Ooit. Eind 1997 stopte gitarist Rob de Weerd en als toetje ging ook nog eens de op het eerste oog zo liefdevolle romance tussen platenmaatschappij Polydor en de band stuk. Voeg daar aan toe dat de reds vertrokken drummer Leo Kenter nu ook definitief stopte met het maken van teksten voor de Kecks, en een doomscenario leek geheel gerechtvaardigd. Voor de buitenwereld leek de band een beetje dood te zijn, zegt Vogelaars. Toch hebben wij dat nooit zo gevoeld. We zijn blijven spelen, trokken nog steeds volle zalen en de fans bleven ons trouw.
Toch werd er in de Nederlandse muziekscene nogal badinerend gesproken over de Tröckener Kecks. De band die al in 1978 startte om ‘te bewijzen dat je op een volwassen manier Nederlandstalige popmuziek kunt maken’, mistte de laatste jaren vonk uit de hoogtijdagen, zo riep men. De laatste platen waren aardig, maar hadden niet de charme van werkjes als Betaalde Liefde (’85), Eén Op Eén Miljoen (’87) en De Jacht (’89).

Maar goed, dat was toen en dit is nu. Sinds de release van >TK wordt de band overstelpt met complimenten en het clubcircuit lijkt het telefoonnummer van het Kecks-management weer massaal gevonden te hebben. Vogelaars: Onze manager Claudia heeft laatst zelfs nog een paar optredens moeten cancelen. En dat is iets dat we al lang niet meer hebben meegemaakt.

De soundcheck laat horen dat de hernieuwde aandacht voor de Tröckener Kecks gerechtvaardigd is. De band klinkt weer als één stevige, samengebalde vuist. Met dank ook aan de meest recente nieuwkomers gitarist Phil Tilli en drummer Gerben Ibelings, twee jongens die venijnig kunnen hakken, maar ook de kracht van het weg laten kennen. Eindelijk waait er weer een frisse bries door de band. Tilli, sinds twee jaar Keck, schoof voormalig Supersub-gitarist en songschrijver Jan-Bart Meyers naar voren als producer voor het nieuwe album. Die sprak bij de eerste kennismaking de wijze woorden: Ik wil geen plaat maken die Tröckener Kecks ook gemaakt zou kunnen hebben toen ik nog op de lagere schoot zat. En dat gebeurde ook niet. >TK werd een volwassen plaat vol sobere songs die de normaal wat jakkerige stem van De Leeuw in staat stelde om nu eens écht te zingen.

Vanavond mag De Leeuw bewijzen dat hij het ook live kan. Daarbij krijgt hij hulp van een aantal gasten: Frank Vanderlinden van De Mens en de veel te laat arriverende Stijn Meuris (ex-Noordkaap). Laat of niet, Meuris is beretrots dat hij mee mag doen: Want dit is de meest belangwekkende Nederlandstalige popband die er is. En de nieuwe plaat bewijst dat ze dat nog steeds zijn.
Ook Candy Dulfer is naar Brussel afgereisd om een partijtje mee te brullen/blazen. Aan populariteit bij collega’s heeft de band in ieder geval nog niets ingeboet, zo blijkt. Zelfs de dames van de platenmaatschappij geven De Leeuw licht nederig een handje. Logisch, meent Vogelaars. Die vrouwen waren vroeger allemaal verliefd op Rick.
In de zaal staan de fans te popelen van ongeduld: sommigen zijn gehuld in meer dan tien jaar oude Keck-shirts, maar ook het aantal jonge fans is opvallend. Meisjes die je eerder een Van Dik Hout- of Bløf-hart zou toedichten, laten wat opgewonden gilletjes ontsnappen als De Leeuw met ferme passen het podium van de bovenzaal opstapt. Mogen we beginnen, TMF? herhaalt hij een aantal keer. Geen antwoord. Ralph Inbar, kom maar tevoorschijn, grinnikt De Leeuw. Maar als de eerste rimshots van Ibelings klinken en de opener Op De Vlucht de zaal inglijdt, vallen alle hooggespannen verwachtingen op hun plaats. De Leeuw zingt zuiver en loopt als een veldheer over het kleine podium. En Vogelaars is gewoon Vogelaars: kop omlaag, benen wijd en de rechterhand ter bescherming verborgen in een wielrenhandschoen. Zijn basspel is opvallend slepend, minder bonkig dan vroeger. Gerben blijkt de perfecte drummer voor de ‘Kecks nieuwe stijl te zijn’ krachtige backbeats als hoeksteen van de veelal trage nieuwe liedjes en het tintelfrisse gitaarspel van Phil Tilli maakt het geheel af: of hij nu soleert, een langgerekte melodie door een song vlecht of er een heerlijk funky riff uitgooit.

De TMF-set bestaat bijna louter uit nieuwe songs. Frank Vanderlinden van De Mens springt in bij het nummer Irene, Stijn Meuris doet mee met Satelliet Suzie en Candy Dulfer doet wat haar vader jaren geleden al eens bij de Kecks deed: de solo van Betaalde Liefde blazen. Pas na dik 75 minuten afsluiter: Nu Of Nooit houdt de groep het tv-optreden voor gezien. Vanderlinden hangt een zwarte colbertjasje over de schouders van De Leeuw alsware het een koningsmantel. Het is koning Rick vanavond.

Drie dagen later is alles anders. Windstoten en regenbuien geselen het Amsterdamse KNSM-eiland. Rick de Leeuw heeft de knop alweer omgedraaid en is samen met Claw Boys Claw-drummer Marc Lamb bezig aan een re-mix van een Kecks-song in zijn eigen SatisFactory-studio. Op de mengtafel ligt een stapeltje nieuwe cd’s. Aan de wand hangt wat oud eremetaal uit vervlogen jaren. Rick is allang niet meer bezig met het Brusselse avontuur van een paar dagen eerder.
Hier in deze kelder van een appartementencomplex is hij de baas. Studiobaas, wel te verstaan. Buiten de mix voor zijn eigen band, houdt De Leeuw zich ook bezig met het produceren van jonge talentvolle groepen. Ik ben momenteel druk met een bandje uit het oosten des lands, In ’T Wild. Vanaf het begin heb ik me met alles bemoeid: de teksten, de gitaarakkoorden, echt alles. Ik produceer graag en ik weet ook dat ik er goed in ben.
Daarom is het juist zo fascinerend om te horen hoe de nieuwe Kecks-plaat tot stand is gekomen. De plaat werd weliswaar opgenomen in zijn eigen SatisFactory-studio in eigen beheer, de banden met Polydor waren al verbroken, PIAS kwam later pas maar de rol van De Leeuw beperkte zich tot die van zanger en tekstschrijver. Tot de dag dat wij begonnen, was ik de baas in mijn eigen studio. Maar vanaf dag één heb ik de productionele verantwoordelijkheid geheel in de handen van Jan-Bart Meijers gelegd. Achteraf is dat een hele goede beslissing geweest. Een andere manier had ook niet gewerkt. De zanger van een band die tevens de eigenaar van de studio is, dat is een onwerkbare combinatie.
In eerste instantie was de producer niet bepaald gecharmeerd van de Kecks. Eigenlijk vond Jan-Bart het allemaal maar ruk wat wij deden. In het circuit waar hij zit, zijn de Kecks ook niet echt hip. Hij had ons nog als dat bandje uit de jaren tachtig in zijn hoofd zitten.

‘Je kunt niet van de fans verwachten dat ze onder een steen leven en blijven teren op onze successen uit de jaren tachtig’

In de woonkamer van de familie De Leeuw komt de Kecks-zanger nog even terug op die ‘do or die’-situatie van ruim een jaar geleden. Ter illustratie wijst hij naar een schilderij van Jan Cremer dat boven de bank hangt. Dat schilderij maakte Jan toen hij 53 jaar oud was. Maar de kwaliteit van dit werk is veel grootser en beter dan de dingen die hij vroeger maakte. Jan is een man die risico’s durft te nemen. Dat geldt ook voor de Kecks. Doe je dat niet, dan slip je weg.
De tijd was rijp om de dingen te ‘herbronnen’, zoals De Leeuw het zelf noemt. Dat waren we ook verplicht aan de fans. Je kunt niet van ze verwachten dat ze onder een steen leven en blijven teren op de successen uit de jaren tachtig. Als je nu terugkijkt, zijn we wel een beetje geholpen door het vertrek van Rob. Dat hij ermee zou stoppen, zat er al langer aan te komen. En toen de beslissing daar was, hadden we gelijk zoiets van: ‘Zo, wie gaan we nu bellen?’
Die ‘wie’ werd dus Phil Tilli die al eerder met Richard Janssen (Fatal Flowers), The Bartales en Railroad Steel had gewerkt. Zijn komst versnelde het vernieuwingsproces aanmerkelijk. Maar niet alleen Rob ging. Ook de breuk met Polydor werd een feit. Een breuk die volgens De Leeuw eigenlijk een logisch gevolg van de omstandigheden was. Onze platen verkochten de laatste jaren gewoon niet goed, daar moet je eerlijk in zijn. Ze hebben ons altijd goed behandeld hoor. Pas rond ’98 sloeg de twijfel toe: we wisten niet of we mochten, konden of wilden blijven. Uiteindelijk hadden we zoiets van: ‘Wat goed is voor Marco [Borsato, ex-Polydor collega] is absoluut niet goed voor ons.
Daarnaast werden de Kecks achtervolgd door het ‘has been-syndroom’. We werden eigenlijk een beetje gezien als ‘ouwe meuk’. Ouwe punkers die nog steeds van die puf-hakketakke-achtige dingen maakten. Een heleboel mensen vonden dat we onszelf artistiek dood moesten verklaren. Eerst waren we voor het grote publiek de beste eigen beheer-band. Toen waren we de beste live-band zonder hit. Toen een band met een hit en een zanger als panel-debiel. En pas nu komen we in de buurt van de kwalificatie ‘integer’. Op zich vreemd, omdat ik nog steeds vind dat ons voorlaatste album Dichterbij Dan Ooit een van de betere is die we ooit hebben gemaakt. Maar ja, je kunt wel hard gaan staan roepen dat je goed bezig bent, maar als er je niks verkoopt raak je alle troeven kwijt.

Toch plaveide het commercieel geflopte Dichterbij Dan Ooit de weg voor >TK. Volgens De Leeuw met dank aan producer Attie Bauw. Attie vond ons als ‘live-band’ een fenomeen, maar als ‘band’ kon hij de Kecks niet zo waarderen. Hij vond dat we te veel leunden op ons eigen muzikale aandeel. Iedereen wilde altijd maar de gaten invullen, maar hij leerde ons om gedoceerd te spelen. We kwamen tot het besef dat het helemaal niet stoer was om een slechte plaat te maken. Wat je op het podium bent, ben je niet vanzelfsprekend in de studio. Op het podium kom je nog wel weg met een mooie heupbeweging of een gevatte opmerking. In de studio heb je alleen jezelf en je stem. Attie was daar heel attent op. Door die ervaring hebben we de domme arrogantie die live-bands vaak eigen is, kunnen afwerpen.

‘Ik hoor nu teveel Nederlandstalige bands die klinken als een zoutloze variant op wat wij ooit bedacht hebben’

Om hun nieuwe muzikale stappen voor te bereiden, verbleven de Kecks lange tijd in het Noord-Italiaanse Laveno bij het Lago Maggiore. Tijdens drie schrijfsessies die elk twee weken duurden, kreeg het einddoel en het begin van een nieuw Kecks-leven een vage vorm. De Leeuw: Ik wilde een hele rijke plaat maken, ook tekstueel. Ik weet nog wel dat Leo [Kenter, ex-drummer] ooit de tekst voor Achter Glas had geschreven. Ik was er trots op dat zo’n tekst bij onze band hoorde. Persoonlijk schrijf ik heel anders: minder persoonlijk, meer over de dingen die ik om mij heen zie. Ik lees boeken, ga regelmatig naar de film, schrijf elke dag en ik lust hem ook wel. Kortom: ik leef graag. Dat komt ook in mijn teksten naar voren. Ik vind ook nog steeds dat mensen als Huub van der Lubbe [De Dijk], Thé Lau [The Scene, Leo en ik een soort nieuw vocabulaire hebben gemaakt. Ik hoor nu te veel Nederlandstalige bands die klinken als een zoutloze variant op wat wij ooit bedacht hebben.

Pers