Alles went

Bron: Flair Tekst: Rick de Leeuw.
Een druilerige regen hult nachtelijk Rotterdam in een natte waas. Kwart over vier. Het asfalt glimt onder de oranje-rode gloed van de straatlantaarns. Het is koud. De wind jaagt wat huisvuil langs de gevels van de stad. Een oude krant vliegt radeloos rond voor hij wordt gegrepen door de takken van een treurige boom. Roemloos einde van een reis. In de verte jankt een hond. De stad huivert.
Iedereen die het hoort begrijpt wat het beest bedoelt: Wie een huis heeft gaat nu naar huis. Daar is het veilig en warm. Wie geen huis heeft wacht geslagen tot de ochtend komt. Tot de storm luwt. Vertroosting wordt gezocht, tevergeefs.
In de laatste strohalm voor de ondergang. Of hoe die louche tent ook heet. Een trompet weerklinkt in de nacht. Weemoedig benadrukt hij de uitzichtloosheid. De nacht is oneindig, zoveel is duidelijk. En voor wie daar nog aan twijfelde biedt de eenzame trompettist zekerheid. Een zekerheid waar niemand op wacht. Een waarheid die niemand wil weten.

"Ik herken nog maar zo weinig
als ik naar je kijk
er is teveel veranderd
in veel te korte tijd..."

Vanuit de verte nadert traag een zwarte Mercedes. Een zwerver kijkt op vanonder zijn kartonnen onderkomen. Hij ziet wat hem niet aanstaat en gaat door met zijn bezigheden.
Hij zit niet bepaald verlegen om nieuw volk in de buurt. Het is de tijd van het jaar, denkt hij vaak. Altijd als de dagen korter worden en de bladeren vallen, wordt het drukker.
Drukker in zijn straat. Zwaarmoedigheid leeft op als de lichten langzaam doven. Hij weet nog maar al te goed hoe hij hier zelf ooit verzeild geraakt is. Op precies zo'n dag als vandaag. Nee, hem zou dat nooit overkomen, had hij altijd gedacht. Je had het toch zeker allemaal in eigen hand. Het leven is wat je er zelf van maakt. En veel meer van die onzin. Hij schudt zijn hoofd. Zoveel onnozelheid. Het verschil tussen de ladder en de goot was in zijn geval twee ruzies en drie weken geweest. De vrije val. Hij vermant zich. Niet meer aan denken. De zwarte Mercedes rijdt langzaam voorbij. Wat er ook te verwachten valt van de passagiers, veel goeds kan het niet zijn. Passanten in zijn doodlopende weg. Hij heeft geen haast ze te ontmoeten. Binnenkort ziet hij ze waarschijnlijk toch wel weer. Of hij wil of niet. Het noodlot heeft geen agenda.

"...Alles went, maar willen we dit echt
waar we samen voor vochten
werd langzaam maar zeker de inzet van de strijd..."

In de wagen is de sfeer te snijden. De chauffeur zit zich te verbijten. Met witte knokkels achter het stuur. Ingehouden woede houdt hem op de been. Deze rit heeft al veel te lang geduurd. Deze avond heeft al veel te lang geduurd. Dit leven heeft al veel te lang geduurd. Hoe goed weet hij zich nog zijn zonovergoten jeugd te herinneren. De avonturen die in het verschiet lagen. De kansen die hij zou krijgen. Handenwrijvend had hij er naar uitgezien. Onder de goedkeurende blikken van zijn trotse moeder. Hij was anders, had ze altijd gezegd. Anders. Voor hem zou de wereld zich openen. Hij zou rechtop door het leven gaan. En niet geknecht, zoals zijn vader.
Hij zou geen sukkel worden. Oog in oog met het naakte bestaan zou hij niet eens knipperen, maar met een hautaine glimlach rond zijn mond zou hij doorzetten waar een ander wijken zou. En kijk waar het hem gebracht had. Hier reed hij, in een verlengde Mercedes. Het deed denken aan champagne, gedronken uit de leren rijglaarjes van een rondborstig en willig ding. Het deed denken aan feestjes, te decadent om over te praten. Ja, maar het was niet zijn verlengde Mercedes. En de feestjes die wel degelijk gevierd werden, waren niet zijn feestjes. Het was niet zijn luxe leventje dat hier rondgereden werd. Nee, dat speelde zich af op de achterbank. En hij moest het rondrijden. Hij verslikte zich bijkans in zijn woede. Waar was het verkeerd gegaan?
Chauffeur van een bandje. Dat was er van hem geworden. Van dat stelletje over het paard getilde popsterren.
Hij walgde ervan. Als er ook maar een vlek op zijn bekleding zou komen! Dan zouden ze er van langs krijgen. Hij betrapte zich erop dat hij er stiekem op hoopte.

"...Als een geslagen hond die zijn baas niet meer vertrouwt
likken we de wonden en rechten we de rug
Alles went, maar willen we dit echt
waar we samen voor vochten werd langzaam maar zeker
de inzet van de strijd..."

De mannen op de achterbank zijn moe. Moe van de slopende dag die achter hun ligt. Moe van alleen al de gedachte aan wat hen nog te wachten staat. Ze willen niet feesten, ze willen naar huis. Ze hebben een hekel aan deze auto. Slijmbal, die nooit eens zegt wat hij werkelijk denkt. Nee, die altijd alleen maar zegt wat hij denkt dat zij willen dat hij zegt. Ze krijgen zelfs een hekel aan elkaar. Ze hebben het nooit voor mogelijk gehouden, maar zelfs dag in dag uit doen wat je het leukste vindt roept irritaties op. Irritaties waar ze zelf versteld van staan. Wellicht is het maar het beste om te zwijgen. Om te wachten tot de storm is geluwd. En twee aan twee sluiten zich de ogen.
Alles went.

"...Wat we allebei zagen, niet wilden zien
"afstand komt op kousevoeten
wat we allebei zagen, niet wilden zien
het ga je goed, ik zal je missen..."

De regisseur is tevreden.
'Levensecht', zo oordeelt hij over de laatste scene. Lachend slaat hij de cameraman op de schouders. Ze zijn blij dat het werk gedaan is.
'Inpakken en wegwezen jongens', roepen ze naar de rest van de filmploeg, 'het heeft al veel te lang geduurd'.
Zij konden toch ook niet weten van wat er op de achterbank allemaal was voorgevallen.


Nieuws | Leesvoer